Deze website is een catalogus van de planten in onze schaduwtuin. Als fervente liefhebbers van schaduwplanten wilden we in eerste instantie een overzicht voor onszelf creƫren. Misschien kunnen ze ook een inspiratie zijn voor jouw schaduwborder of schaduwtuin. Neem gerust contact met ons op als u meer informatie wenst over een specifieke plant.
Zoek in onze tuin
- Producten ...
- Schaduwplanten
- Maianthemum
- dilatatum
dilatatum
Maianthemum dilatatum (Alph. Wood) A. Nelson & J.F. Macbr.
Maianthemum dilatatum (Alph.Wood) A.Nelson & J.F.Macbr., ingedeeld bij de aspergefamilie (Asparagaceae), is een charmante, schaduwminnende vaste plant die in 1916 haar definitieve botanische status kreeg. Haar natuurlijke verspreidingsgebied strekt zich uit over het koude tot gematigde bioom rondom de noordelijke Pacific, lopend van Mongoliƫ en Siberiƫ via Japan tot aan Alaska en het noordwesten van Californiƫ. Als een typische wortelstokgeofyt breidt de soort zich krachtig uit via een netwerk van slanke, langlevende ondergrondse rhizomen, waarmee ze dichte, zodevormende tapijten weeft over de vochtige, mossige bodems van naaldbossen en kustwouden. De onvertakte, flexibele stengels groeien strak rechtop en bereiken een bescheiden hoogte van 10 tot 35 centimeter.
De vegetatieve architectuur valt direct op door een specifieke bladverdeling; niet-bloeiende scheuten dragen slechts ƩƩn grondstandig blad, terwijl de bloeiende stengels bezet zijn met twee tot drie verspreid staande bladeren. Deze bladeren zijn opvallend diep hartvormig (cordaat) met een kenmerkend brede inkeping aan de basis en afgeronde lobben die elkaar soms subtiel overlappen. De bladschijf, die tot 15 centimeter lang kan worden, loopt uit in een geleidelijk toegespitste top en voelt opmerkelijk leerachtig aan. Bovendien bezit het volkomen kale oppervlak een intense, diepgroene glans, waarbij de diep verzonken parallelle nerven de bladeren een prachtig gewelfd uiterlijk geven. Terwijl de onderste bladeren lange bladstelen tot wel 10 centimeter bezitten, zijn de bovenste stengelbladeren beduidend korter gesteeld.
In de vroege zomer, van mei tot juli, ontwikkelt de plant haar generatieve pracht in de vorm van een eindstandige, onvertakte en cilindrische bloemtros van 3 tot 8 centimeter lang. Deze tros is dicht bezet met 15 tot 40 zuiver witte tot crĆØmewitte, sterk geurende bloemetjes die vaak in kleine bundeltjes langs de bloemspil staan. Botanisch gezien is de bloemstructuur strikt vierledig (tetrameer), bestaande uit slechts vier vrijstaande bloemdekblaadjes die tijdens de bloei karakteristiek achterwaarts ombuigen, geflankeerd door exact vier korte meeldraden en een centraal, tweehokkig vruchtbeginsel. Na succesvolle bestuiving transformeert deze bloeiwijze in bolvormige bessen die van groen met roodbruine spikkels in de nazomer rijpen tot egale, glanzende en bijna doorschijnende dieproode vruchten.
Binnen het geslacht Maianthemum neemt deze soort een unieke positie in door specifieke anatomische grenzen die haar feilloos onderscheiden van verwanten. Waar de grootste groep binnen het geslacht ā de voormalige Smilacina-soorten zoals M. racemosum ā gekenmerkt wordt door een zesdelige bloemopbouw met zes tepalen en zes meeldraden, handhaaft M. dilatatum rigide haar vierledige structuur. Ten opzichte van ons inheemse dalkruid (Maianthemum bifolium) functioneert ze op elk vlak als een indrukwekkende reuzenversie; haar bladeren zijn twee tot drie keer groter, de hartvormige sinus aan de bladbasis is beduidend dieper en wijder, en haar bloemtros is veel rijker bezet dan de ijle trosjes van haar Europese zusje. Tot slot onderscheidt ze zich van het Noord-Amerikaanse Maianthemum canadense door haar volkomen kale, intens glanzende bladeren en het feit dat de onderste bladeren duidelijke, lange stelen bezitten, in tegenstelling tot de vaak fijnbehaarde, matte en nagenoeg zittende bladeren van de Canadese soort.