Deze website is een catalogus van de planten in onze schaduwtuin. Als fervente liefhebbers van schaduwplanten wilden we in eerste instantie een overzicht voor onszelf creëren. Misschien kunnen ze ook een inspiratie zijn voor jouw schaduwborder of schaduwtuin. Neem gerust contact met ons op als u meer informatie wenst over een specifieke plant.
Zoek in onze tuin
- Producten ...
- Schaduwplanten
- Polygonatum
- latifolium (syn. hirtum)
latifolium (syn. hirtum)
Polygonatum latifolium (Jacq.) Desf.
De soortnaam latifolium betekent letterlijk "breedbladig", wat direct verwijst naar het meest opvallende kenmerk van deze plant. In het Nederlands wordt hij soms de Breedbladige salomonszegel genoemd. Het natuurlijke verspreidingsgebied ligt in het gematigde bioom van Centraal- en Zuidoost-Europa (met name de Balkan en omliggende regio's) en strekt zich uit tot het noordwesten van Turkije. De plant groeit er vooral in kalkrijke, voedselrijke loofbossen en struikgewassen.
Stengel: Polygonatum latifolium vormt een stevige, robuuste stengel van zo’n 30 tot 60 (soms 80) centimeter hoog. De stengel groeit opgaand en buigt naar de top toe elegant door. In tegenstelling tot de scherp hoekige, kantige stengel van P. odoratum (Welriekende salomonszegel), is de stengel van P. latifolium perfect rond en glad, of hooguit heel licht stomp-hoekig aan de uiterste top. De stengel is vaak bezet met zeer korte, fijne donshaartjes, wat uniek is ten opzichte van de volledig kale stengels van de meeste Aziatische soorten zoals P. falcatum.
Bladeren: Zoals de naam al verraadt, zijn de bladeren het grote uithangbord. Ze staan verspreid langs de stengel, maar richten zich min of meer in twee rijen naar de zijkanten. Ze zijn opvallend breed-eivormig tot bijna rond (7–16 cm lang en tot wel 8 cm breed). Dit is een enorm verschil met de smalle, sikkelvormige bladeren van P. falcatum of de smalle, in kransen staande bladeren van P. kingianum. De bovenkant is dof donkergroen; de onderkant is lichter grijsgroen en – heel karakteristiek voor deze soort – zacht behaard langs de hoofdnerven.
Bloemen: De bloeiperiode valt in mei. Uit de bladoksels ontspringen hangende, behaarde bloemstelen die zich splitsen in kleine trosjes van 1 tot 5 bloemen (meestal 2 tot 3). De bloemen zijn buis- tot klokvormig, circa 1,5 tot 2,2 centimeter lang, en melkwit met groenachtige randen. Ze missen de sterke, zoete geur van P. odoratum. De bloembuis is bovendien niet zo sterk ingesnoerd ("wespentaille") als bij onze inheemse P. multiflorum (Gewone salomonszegel).
Wortelstok: Ondergronds bevindt zich een dikke, vlezige, horizontaal kruipende witte wortelstok. Deze is stevig en cilindrisch, vergelijkbaar met die van P. multiflorum, maar mist de extreme, onregelmatige, gember-achtige klompenvorm die we zien bij de medicinale Aziatische soorten zoals P. cyrtonema en P. kingianum.
Vruchten: In de nazomer ontwikkelen zich bolronde bessen die rijpen naar een glanzend blauwzwarte of diepzwarte kleur.
Officiële taxonomische autoriteit
De soort werd oorspronkelijk ontdekt en beschreven door de Oostenrijkse botanicus Nikolaus Joseph von Jacquin, maar in 1807 formeel door de Franse botanicus René Louiche Desfontaines in het juiste geslacht (Polygonatum) geplaatst en geldig gepubliceerd in de Annales du Muséum National d'Histoire Naturelle.
(Jacq.) Desf.
De auteurscitatie "(Jacq.) Desf." laat een prachtig stukje Europese botanische geschiedenis zien uit de overgang van de 18e naar de 19e eeuw. Het vertelt ons dat de plant door Jacquin is ontdekt, maar door Desfontaines naar het juiste biologische geslacht is verhuisd.
Nikolaus Joseph von Jacquin (Jacq., 1727 – 1817): Was een van de belangrijkste Oostenrijkse botanici en chemici van zijn tijd. Geboren in Leiden, trok hij later naar Wenen waar hij door keizer Frans I Stefanus werd aangesteld om de tuinen van Paleis Schönbrunn te verrijken. Jacquin reisde de hele wereld over (waaronder West-Indië en Midden-Amerika), maar deed ook intensief onderzoek naar de flora van Centraal-Europa (zijn beroemde werk Flora Austriaca). Hij ontdekte deze breedbladige Salomonszegel in de bossen nabij Wenen en beschreef hem oorspronkelijk onder het geslacht Convallaria (waar destijds ook het Lelietje-van-dalen onder viel), aangezien het geslacht Polygonatum toen nog niet universeel was afgesplitst.
René Louiche Desfontaines (Desf., 1750 – 1833): Was een gevierde Franse botanicus en professor aan de Jardin des Plantes in Parijs. Hij overleefde de woelige jaren van de Franse Revolutie en bleef stug doorwerken aan de herstructurering van de plantenwereld. Desfontaines deed baanbrekend werk op het gebied van plantenmorfologie. In 1807 nam hij de eerdere beschrijving en herbaria van Jacquin onder de loep. Hij realiseerde zich dat de plant, vanwege zijn specifieke stengel- en bloemstructuur, niet thuishoorde in het geslacht Convallaria, maar absoluut geplaatst moest worden in het destijds nieuw opgerichte geslacht Polygonatum.
Door zijn publicatie in 1807 kreeg de plant zijn definitieve, vandaag de dag nog altijd geaccepteerde wetenschappelijke naam: Polygonatum latifolium. De haakjes rondom 'Jacq.' herinneren ons er voor altijd aan dat Jacquin de oorspronkelijke ontdekker was.