Deze website is een catalogus van de planten in onze schaduwtuin. Als fervente liefhebbers van schaduwplanten wilden we in eerste instantie een overzicht voor onszelf creëren. Misschien kunnen ze ook een inspiratie zijn voor jouw schaduwborder of schaduwtuin. Neem gerust contact met ons op als u meer informatie wenst over een specifieke plant.
Zoek in onze tuin
- Producten ...
- Schaduwplanten
- Maianthemum
- racemosum
racemosum
Maianthemum racemosum (L.) Link
Maianthemum racemosum (L.) Link (historisch ook wel bekend binnen het geslacht Smilacina) is een krachtige, overblijvende bosplant uit de aspergefamilie (Asparagaceae). De soort werd in 1821 door de Duitse botanicus Heinrich Friedrich Link definitief geldig gepubliceerd in zijn werk Enumeratio Horti Regii Botanici Berolinensis Altera. De plant is wijdverspreid inheems in Noord-Amerika en loopt zuidelijk door tot in Mexico (Chihuahua). Als een typische wortelstokgeofyt (rhizomatous geophyte) groeit de plant hoofdzakelijk in het gematigde bioom; hij is volledig aangepast aan een gematigd landklimaat en daardoor extreem winterhard.
Deze krachtige, overblijvende wortelstokgeofyt vormt forse pollen van robuuste, elegant overbuigende en onvertakte stengels die een indrukwekkende hoogte van 50 tot 90 centimeter bereiken. Waar de dwergachtige geslachtsgenoten — zoals ons inheemse dalkruid (M. bifolium) of de Pacifische M. dilatatum — klein blijven en slechts twee tot drie hartvormige bladeren dragen, is de stengel van M. racemosum rijkelijk bezet met wel 10 tot 12 grote, lancet-elliptische bladeren. Deze bladeren zijn volledig zittend (sessiel), wat betekent dat ze zonder bladsteel direct aan de stengel gehecht zijn, en bezitten diepliggende parallelle nerven die het loof een weelderige textuur geven.
Het absolute diagnostische hoofdkenmerk waarmee deze soort zich radicaal distantieert van veel andere Maianthemum-soorten, openbaart zich in de late lente aan het uiteinde van de stengel. In plaats van een eenvoudige, slanke en onvertakte bloemtros produceert M. racemosum een grote, rijkvertakte en uiterst compacte eindstandige pluim (panikel). Deze vormt een dichte, bijna pluizige, sneeuwwitte tot crèmewitte kegel die bovendien sterk en zoet geurt.
Botanisch gezien weerspiegelt de bloemstructuur haar verleden als lid van het voormalige geslacht Smilacina: de individuele bloemetjes hebben een stabiele zesdelige anatomie (zes bloemdekblaadjes en zeven meeldraden), waarmee ze zich direct afsplitst van de klassieke, vierdelige dalkruiden. Dit witte kleurenspectrum onderscheidt haar bovendien feilloos van de zeldzame M. atropurpureum, die weliswaar ook zesdelig is, diep wijnrode tot gitzwarte bloemen draagt.
Tot slot verschilt M. racemosum wezenlijk van andere zesdelige reuzen zoals de Aziatische M. henryi en de neotropische M. salvinii: haar bloempluim is een compacte, volgepakte piramide, in tegenstelling dat de ijle, losse of extreem wijdvertakte en diffuse bloeiwijzen van haar zuidelijkere verwanten. Na de bloei transformeert de witte kegel in een tros bolvormige bessen die van groen met rode spikkels rijpen naar een glanzend, doorschijnend robijnrood.