Selaginella uncinata (Desv.) Spring (basioniem: Lycopodium uncinatum Desv., 1814) is zonder twijfel een van de meest spectaculaire en visueel adembenemende sporenplanten ter wereld. Deze legendarische mosvaren is afkomstig uit de schaduwrijke, vochtige bosvalleien en rotsravijnen van Midden- en Zuid-China. De plant vormt een kruipend, sierlijk overhellend kleed van 10 tot 15 cm hoog dat zich via dunne, vertakte stengels gestaag over de bodem uitbreidt.
Morfologisch is Selaginella uncinata wereldberoemd om de intense, iriserende pauwblauwe tot metallisch smaragdgroene glans op haar microfyllen. Deze optische iridescentie wordt niet veroorzaakt door blauw pigment, maar door fysische lichtinterferentie in dunne, gespecialiseerde dubbele nanolagen binnen de celwanden van de bovenste epidermisculticula. De microfyllen staan strak in vier rijen geordend, zijn eivormig-oblong met een haakvormig omgebogen top (uncinata = 'gehaakt'). Aan de stengelknopen ontspringen slanke, draadvormige rhizophoren.
De strobili van Selaginella uncinata zijn smal-cilindrisch, vierhoekig, 0,5 tot 1,5 cm lang en bevinden zich aan de toppen van de takjes. De sporofyllen zijn eivormig-acuminaat en dragen de megasporangia (met bleekgele megasporen) en microsporangia (met oranje-rode microsporen). Bij sporenrijping in de late zomer neemt de blauwe iridescentie op de fertiele takken tijdelijk af om plaats te maken voor een warmere goudgroene tint.
In de tuin is Selaginella uncinata een absolute eyecatcher voor beschutte schaduwhoeken. Ze is verrassend winterhard tot -12°C à -15°C (USDA zone 7b/8a). De plant vereist een beschutte, luwe standplaats in de diepe of gefilterde schaduw op een permanent vochtige, vochthoudende en humusrijke bosgrond; felle zon breekt de optische interferentie af en verbrand het blad. Onder de juiste condities vormt ze een niet-te-evenaren, sprookjesachtig blauw-iriserend tapijt.
Deze andere producten kunnen je interesseren