Arisaema ciliatum, in 1977 voor het eerst geldig gepubliceerd door de Chinese botanicus Huying Li, is een overblijvende en knolvormige vaste plant uit de aronskelkfamilie (Araceae). Als tubereuze geofyt kent deze soort een specifiek natuurlijk verspreidingsgebied in het gematigde bioom van Noordoost-India (Assam, Meghalaya) en het zuidwesten van China (West-Sichuan en Noordwest-Yunnan). Vanuit een ondergrondse, bolronde knol ontwikkelt de plant een stevige, rechtopstaande schijnstengel (pseudostem) die een hoogte van zestig tot negentig centimeter kan bereiken. De solitaire bladeren zijn uniek parapluvormig en handvormig samengesteld (pedaat), bestaande uit elf tot vijftien smalle, stralend gerangschikte lancetvormige deelblaadjes met een fijne, langgerekte punt. Hét belangrijkste determinatiekenmerk waaraan de soort haar naam ontleent, is de aanwezigheid van minuscule, wimperachtige haartjes (ciliën) langs de bladranden en de opening van het schutblad.
In de vroege zomer verschijnt de karakteristieke aronskelkbloeiwijze die elegant op gelijke hoogte met of net boven het bladerdek uitsteken kan. Deze bloeiwijze bestaat uit een verticaal gestreept, kokervormig schutblad (spatha) dat diep purperbruin tot kastanjebruin gekleurd is met contrasterende, doorschijnende groenwitte lengtestrepen. De top van de spatha loopt uit in een lange, sierlijk naar voren buigende slip die over de centrale, rechtopstaande bloeikolf (spadix) hangt als een afdakje. De bloeikolf zelf is dun en loopt aan het uiteinde uit in een opvallend lange, draadvormige uitloper die uit de monding van het schutblad steekt. Na een succesvolle bestuiving door specifieke insecten sterft de constructie af en rijpen de vrouwelijke bloemetjes aan de basis van de kolf uit tot een dichte, compacte aar van glanzende, felrode bessen.
Deze andere producten kunnen je interesseren