Chloranthus henryi, voor het eerst geldig gepubliceerd door William Botting Hemsley in 1891 naar aanleiding van de botanische ontdekkingen van Augustine Henry, is een fascinerende, overblijvende kruidachtige plant uit de familie Chloranthaceae. Deze botanische familie representeert een van de oudste, nog levende ontwikkelingslijnen van de bloemdragende planten op aarde. De soort kent een verspreidingsgebied dat zich uitstrekt van Centraal- en Zuid-China en het eiland Hainan, via het oosten van Taiwan tot in de Filipijnen (Luzon), waar hij hoofdzakelijk groeit in de schaduwrijke ondergroei van gematigde en sub-tropische bergbossen.
Als rizomatische geofyt overleeft de plant de winterperiode ondergronds door middel van een horizontaal kruipende, knoestige en vlezige wortelstok. In het voorjaar schieten hieruit onbehaarde, taaie stengels omhoog die een hoogte bereiken van dertig tot ruim zestig centimeter. Aan de basis van deze stengels zitten slechts enkele vliezige schubben, maar hogerop bevindt zich de opvallende bladstructuur. De grote, leerachtige bladeren staan strikt tegenovergesteld, maar omdat de opeenvolgende knopen aan het stengeluiteinde heel dicht bij elkaar liggen, wekken ze vaak de indruk in een krans van vier stuks aan de top te staan. De individuele bladschijf is breed omgekeerd-eivormig tot elliptisch, heeft een wigvormige bladvoet en loopt aan de top uit in een scherpe, langgerekte punt. Langs de randen is het blad diep en scherp gezaagd, waarbij de tanden voorzien zijn van karakteristieke, microscopische klierpuntjes.
De bloeiwijze van Chloranthus henryi is eveneens hoogst herkenbaar en verschijnt terminaal aan het einde van de scheuten. Het betreft een arm- of trosvormig vertakte aar, die is opgebouwd uit eenvoudige, groenwitte bloemen. Net als bij andere vertegenwoordigers van deze primitieve familie zijn de bloemen extreem gereduceerd: ze bezitten noch kelkbladen, noch kroonbladen, en worden slechts ondersteund door een minuscuul schubachtig schutblad. Het meest opvallende, diagnostische kenmerk bevindt zich in de meeldraden (het androecium). Er zijn drie meeldraden die aan de basis nagenoeg vrij van elkaar staan en het vruchtbeginsel deels omsluiten; de centrale meeldraad is tweekoppig, terwijl de twee zijdelingse meeldraden elk slechts één helmknop dragen. Botanisch onderscheidt deze soort zich specifiek doordat de toppen van deze meeldraden scherp en acuut toelopen. Na bestuiving ontwikkelt het eivormige, stijlloze vruchtbeginsel zich tot een vlezige, glanzend witte of bleekgroene, bolvormige steenvrucht die de zaden herbergt.
Deze andere producten kunnen je interesseren