Botanische auteur: Sw., Schrad. J. Bot. 1800(2): 17 (1801) | Synoniemen: Blechnum orientale (Sw.) L.f. pro parte, Woodwardia radicans var. orientalis (Sw.) Makino | Familie: Blechnaceae | Herkomst: Oost-Azië (Japan, Taiwan, Zuid-China, Filipijnen en de Ryukyu-eilanden) op vochtige berghellingen, ravijnwanden en bosranden.
Woodwardia orientalis is een iconische Aziatische kettingvaren die in 1801 door de Zweedse pteridoloog Olof Swartz werd beschreven. De soort staat wereldwijd bekend om haar uitzonderlijke vegetatieve voortplantingsmechanisme, waarbij de mature frondes bedekt raken met honderden kleine adventieve broedknoppen (bulbils). De plant vormt een robuuste, kort-kruipende tot opgaande wortelstok die dicht bezet is met brede, glanzende roodbruine schubben.
Morfologisch ontwikkelt Woodwardia orientalis brede, krachtige en sierlijk overhellende frondes met een lengte van 80 tot 180 cm. De bladeren zijn geveerd-pinnatifid met dikke, lederachtige pinnen die diep ingesneden zijn in lancetvormige pinnulae met scherp gezaagde randen. Het meest spectaculaire kenmerk treedt op in de late zomer: op de bovenzijde van het blad ontstaan uit het parenchymweefsel honderden piepkleine, schubachtige broedknoppen (bulbils) die uitgroeien tot miniatuurvarentjes met eigen blad- en wortelaanzetten. Dit geeft de bladbovenzijde een unieke, met pareltjes bedekte textuur.
De seksuele voortplanting verloopt via lijnvormige sori die aan de onderzijde van de pinnen in diepe caviteiten (areolen) langs de costae ingebed liggen. Elk sorus wordt beschermd door een stevig, persistent indusium dat bij rijpheid openklapt. Hoewel de plant overvloedige kiemkrachtige sporen produceert, gaat een groot deel van de fysiologische energie naar de massa-productie van de vegetatieve broedknoppen. Zodra de zware frondes door hun eigen gewicht de grond raken, wortelen de broedknoppen zich direct in de klamme bodem.
In de tuinarchitectuur is Woodwardia orientalis een excurse en zeldzame blikvanger voor beschutte schaduwhoeken en beschutte bosranden. De plant vereist een luwe standplaats uit de wind op een permanent vochtige, goed gedraineerde en humusrijke grond. Jonge broedknoppen kunnen eenvoudig verzameld worden om nieuwe planten op te kweken. De soort is matig winterhard (-10°C tot -12°C, USDA zone 8a/8b) en vraagt in strengere winters een beschermende mulchlaag van bladeren over het hart van de plant.
Deze andere producten kunnen je interesseren