Cyrtomium fortunei J.Sm. var. fortunei werd in 1846 wetenschappelijk beschreven door de Britse botanicus John Smith in The Journal of Botany. Het specifieke epitheton eert de Schotse plantenverzamelaar en botanicus Robert Fortune, die de plant tijdens zijn historische expedities in China ontdekte en naar Europa introduceerde. De soort behoort tot de familie Dryopteridaceae en vormt het autonome type van de fortunei-groep. In haar natuurlijke leefgebied strekt haar verspreiding zich uit over de gematigde tot subtropische berggebieden van China, Japan en Korea, waar ze groeit op schaduwrijke rotshellingen, in vochtige loofbossen en langs kalksteenravijnen op hoogtes tussen 400 en 2000 meter.
Morfologisch bouwt Cyrtomium fortunei var. fortunei een strakke, vaasvormige rozet op met een hoogte van 40 tot 70 cm uit een kort, opgaand rhizoom dat dicht bedekt is met eivormig-lancetvormige, gitzwarte ramenta-schubben. De frondes zijn eenmaal geveerd (pinnaat) op stijve, robuuste stipes. De bladschijf draagt 12 tot 26 paar zijpinnen plus een opvallende eindleidende pin. De pinnen zijn mat olijfgroen tot lichtglanzend, eivormig-sikkelvormig (falcaten) met een acroscopisch aurikel (oor-lob aan de bovenbasis) en een fijne, borstelachtig gezaagde bladrand. Het bladweefsel voelt stevig lederachtig aan, maar mist de extreme spiegelglans van Cyrtomium falcatum.
De voortplantingsfysiologie combineert sporenvorming met een wijdverbreid apogaam voortplantingssysteem. Aan de onderzijde van de fertiele pinnen bevinden zich talrijke ronde sori die regelmatig verspreid liggen over het bladoppervlak tussen de hoofdnerf en de bladrand. De sori worden afgedekt door cirkelvormige, schildvormige (peltiate) indusia met een ingezonken centrum. Bij rijping verkleuren de indusia van lichtgrijs naar bruin en wijken ze terug om de donkerbruine sporangia vrij te geven, die via de wind efficiënt worden verspreid.
In de tuinbeplanting is Cyrtomium fortunei var. fortunei een buitengewoon betrouwbare, groenblijvende structuurplant voor schaduwborders, boshoeken en beschutte rotstuinen. De varen gedijt het beste op een halfschaduwrijke tot luwe schaduwplek op een permanent vochthoudende, neutrale tot licht kalkrijke en diep humusrijke bosgrond. De plant is uitstekend winterhard tot -20°C à -24°C (USDA zone 6a) en behoudt in normale winters haar frisse loof. Oud blad kan in het vroege voorjaar worden teruggeknipt om ruimte te maken voor de krachtige nieuwe ontluikende frondes.
Deze andere producten kunnen je interesseren