Botanische auteur: Shieh, Bot. Bull. Acad. Sin. 7: 83 (1966) | Synoniem: Pteris cretica var. nipponica (Shieh) Walker | Familie: Pteridaceae | Subfamilie: Pteridoideae | Herkomst: Oost-Azië (Japan - Honshu, Shikoku, Kyushu; Zuid-Korea, Taiwan en Oost-China) in schaduwrijke berg bossen.
Pteris nipponica is een beeldschone Oost-Aziatische lintvaren die in 1966 door Wang-Chueng Shieh formeel als zelfstandige soort werd beschreven. In veel tuinbouwkundige werken wordt ze nog vermeld als Pteris cretica var. nipponica. Fylogenetisch behoort de soort tot de Pteridaceae en staat ze bekend om haar diploïde of triploïde apomictische (apogame) voortplanting. De plant wordt wereldwijd hogelijk geprezen om haar opvallende, natuurlijke bladbontheid die het donkerste schaduwhoekje verlicht.
Morfologisch bouwt Pteris nipponica een compacte, opgaande rozet op van 30 tot 50 cm hoog. Uit een korte, dicht behaarde wortelstok ontspruiten enkel geveerde frondes op strogele stipes. De pinnae zijn lang-lancetvormig met fijn gezaagde randen. Het meest opvallende kenmerk is de brede, cireuze wit-zilveren tot crèmegeel getekende centrale baan die over het midden van elke pinna loopt en scherp afsteekt tegen de diepgroene bladranden. Steriele pinnen zijn duidelijk breder dan de strak opgaande, smalle fertiele pinnen.
De sporen- en voortplantingsfysiologie vertoont de typische kenmerken van het geslacht Pteris. Aan de onderzijde van de fertiele pinnen liggen de sporangia geordend in een continue, strakke marginale lijn (coenosorus) langs beide zijranden. De sporenorganen worden afgedekt door een vliezig, doorschijnend pseudo-indusium dat gevormd wordt door de gaafrandig omgebogen Bladschijfrand. Omdat de plant overwegend apogaam is, ontwikkelen de prothallia rechtstreeks miniatuur-varentjes zonder dat er bevruchting door water nodig is.
In de tuin is Pteris nipponica een adembenemende blikvanger voor beschutte schaduwtuinen, patio's en beschutte bosborders. Ze verlangt een luwe standplaats in de halfschaduw tot diepe schaduw op een vochthoudende, lichte en diepe, humusrijke bosgrond. De winterhardheid is matig tot goed (-12°C, USDA zone 8a); op beschutte plekken met een mulching-laag van bladaarde overleeft ze milde tot normale winters uitstekend. In koudere regio's wordt ze vaak als containerplant of kasplant gekweekt.
Deze andere producten kunnen je interesseren