Botanische auteur: (Presl) Milde, Bot. Zeitung (Berlin) 28: 371 (1870) | Basioniem: Asplenium badium Presl (1836) | Synoniem: Cornopteris badia (Hance) M.Tato & H.Itô | Familie: Athyriaceae | Herkomst: Oost-Azië (Japan, Taiwan, Zuid-China, Nepal en Noord-India) in klamme bosdalen en langs nevelbeekjes.
Athyrium badium is een sierlijke Oost-Aziatische bosvaren die oorspronkelijk in 1836 door Karel Bořivoj Presl werd beschreven als Asplenium badium en later door Carl August Julius Milde heringedeeld werd bij Athyrium. In de botanische literatuur wordt de soort eveneens aangetroffen onder het synoniem Cornopteris badia vanwege haar vlezige bladspil en subindusiate sori. Fylogenetisch behoort de plant tot de familie Athyriaceae en staat ze bekend om haar opvallende rood-brons tot vurig koperkleurige voorjaarsschot, wat haar een gewilde verzamelplant maakt in schaduwtuinen.
Morfologisch vormt Athyrium badium een luchtige, opgaande pol van 40 tot 70 cm hoog. Uit een korte, kruipende wortelstok ontspruiten frondes met opvallend glanzende, wijnrode tot diepbordeauxrood gekleurde stipes. De bladschijf is breed-lancetvormig, bipinnatofid tot tripinnatifid, met dunne, bijna doorschijnend vliezige pinnulae van een fris groenroze tint die later rijp naar heldergroen. De rachis en de costa-vertakkingen zijn vlezig en dragen fijne klierharen. Bij het ontluiken in het voorjaar vertoont het gehele fronde-weefsel een adembenemende glans van koperbrons en mahoniehout.
De voortplantingsfysiologie wordt gekenmerkt door langgerekte, lijn- tot flauw haakvormige sori die zich langs de secundaire zijnerven aan de onderzijde van het blad bevinden. De sori zijn oorspronkelijk bedekt met heel dunne, rudimentaire indusia die bij het rijpen snel terugwijken of zelfs geheel lijken te ontbreken (subindusiaat kenmerk van Cornopteris). De sporangia rijpen in de hoogzomer en laten goudbruine, monolete sporen los met een geplooid perisporium. De plant plant zich uitsluitend generatief voort via sporen en vertoont geen broedknop-vorming.
In de tuin is deze varen een spectaculaire verschijning voor klamme, beschermde schaduwhoeken, beekranden en luwe bosborders. Ze verlangt een beschutte standplaats uit de wind op een permanent vochtige, kalkarme tot lichtzure en humusrijke bodem met een hoge portie bladaarde. De plant is goed winterhard (-18°C, USDA zone 6b) en overleefdt de winter als ondergrondse rhizoom. Vroeg ontluikend loof dient in het voorjaar beschermd te worden tegen late nachtvorst om de felle koperkleurige voorjaars veren te behouden.
Deze andere producten kunnen je interesseren