Morfologisch bouwt de varen korte, kruipende tot rechtopstaande wortelstokken op die aan de top dicht ingepakt zijn in glanzend gitzwarte tot donkerbruine, stijve ramenta (schubben). De frondes zijn enkel geveerd (pinnaat) en bezitten 10 tot 18 paar zijpinnen. De afzonderlijke pinnen zijn smal-lancetvormig tot sikkelvormig (falcaat), lederachtig stevig van substantie, met een uitgesproken acroscopisch aurikel aan de basis en een fijn gezaagde, borstelachtige bladrand. De bovenzijde van het bladweefsel vertoont een spiegelgladde, bijna lakachtige cireuze glans, terwijl de onderzijde doffer olijfgroen gefeest is.
De sporenfysiologie kenmerkt zich door orbiculaire (ronde) sori die verspreid of in twee tot drie parallelle rijen aan weerszijden van de hoofdnerf op de onderzijde van de pinnen liggen. De sori worden afgedekt door cirkelvormige, peltiate (schildvormige) indusia met een gezaagde marge, die bij het rijpen van de sporangia centraal opbollen. Cyrtomium balansae plant zich voornamelijk apogaam voort, een fysiologische aanpassing die kenmerkend is voor veel kalkminnende Cyrtomium-soorten uit Oost-Azië, waardoor de zaailingen genetisch identiek zijn aan de ouderplant.
In de tuinbeplanting is Cyrtomium balansae een hoogwaardige structuurplant voor schaduwrijke rotsbedden, verhoogde plantenbakken en beschutte bosranden. De plant verlangt een plek in de halfschaduw tot diepe schaduw op een permanent vochthoudende, goed drainerende en diepe, humusrijke bodem met een kalkrijke tot neutrale pH. Ze is goed winterhard tot -12°C à -15°C (USDA zone 7b/8a), mits beschermd tegen felle, uitdrogende winterwind. Het oude loof blijft wintergroen en kan in het vroege voorjaar worden gesnoeid om ruimte te maken voor de glimmende nieuwe ontluiking.
Deze andere producten kunnen je interesseren