Polypodium macaronesicum Bobrov is een karakteristieke, groenblijvende tot zomerslapende Eikvaren die endemisch is in de geografische regio Macaronesia, waaronder de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden. De soort werd formeel wetenschappelijk beschreven door de Russische pteridoloog Eugene Bobrov en behoort binnen de familie Polypodiaceae tot het eikvarengeslacht Polypodium. Fylogenetisch is ze nauw verwant aan de mediterrane Polypodium cambricum, maar ze heeft zich specifiek aangepast aan de sublicatieve nevelzones en de iconische laurisilva-bossen (laurierbossen). In haar natuurlijke habitat groeit de plant hoofdjzakelijk epifytisch op met mos bedekte boomstammen en takken van Til, Laurier en Barbusano, alsook lithofytisch op vochtige, schaduwrijke vulkanische rotswanden.
Morfologisch bouwt Polypodium macaronesicum een krachtig, vlezig en sterk vertakt wortelstelsel op dat dicht overdekt is met opvallende goudbruine tot roestkleurige, smal-lancetvormige clathrate schubben. Uit de kruipende wortelstok ontspruiten frondes van 20 tot 45 cm lang met een stevige, strogele stipe. De bladschijf is diep geveerd (pinnatofid) met een ovale tot driehoekig-lancetvormige omtrek en bezit een dik-lederachtige, spiegelglanzende cireuze textuur. De pinnen zijn smal-gezaagd tot gaafrandig met stompe tot acuminate toppen, waarbij de onderste pinnenpaar-basis soms sierlijk iets teruggebogen staat. Een belangrijk botanisch determinatiekenmerk is de opvallende transparante bladrand en de diep verzonken hydathoden aan de bladbovenzijde.
De sporen- en voortplantingsfysiologie sluit nauw aan bij het winteractieve patroon van de laurisilva-flora. Aan de onderzijde van de fertiele frondes ontwikkelen zich in de late herfst en winter grote, kogelronde tot ovale exindusiate sori die in twee strakke parallelle rijen aan weerszijden van de hoofdnerf liggen. Bij rijping verkleuren de sporangia naar een opvallend fel oranjegeel tot koperbruin sporenpoeder. De sporangia bezitten meercellige vertakte paraphysen en een dikwandige annulus met 10 tot 14 ringcellen. De soort is diploïd (2n = 74) en zaait zich onder klamme, vorstvrije omstandigheden makkelijk generatief uit.
In de tuinbeplanting vraagt Polypodium macaronesicum een luwe, beschutte schaduwstandplaats die beschermd is tegen felle vrieswind en directe middagzon. Omdat de plant van nature gewend is aan epifytische condities, is een extreem goed drainerend, luchtig en humusrijk substraat noodzakelijk, bij voorkeur verrijkt met veel bladaarde, schors stukjes en vulkanisch gruis. De soort is matig winterhard (-5°C tot -8°C, USDA zone 9a) en verdraagt lichte nachtvorst, maar dient bij strenge vorstperiode overgeplaatst te worden naar een koudemaskas of beschut winterkwartier.
Deze andere producten kunnen je interesseren