Cunninghamia lanceolata ( Chinense spiesspar) werd in 1803 voor het eerst beschreven door Aylmer Bourke Lambert als Pinus lanceolata, waarna Sir William Jackson Hooker de soort in 1827 heringedeeld heeft onder het monotypische geslacht Cunninghamia (vernoemd naar de botanische verzamelaar James Cunningham). Deze indrukwekkende groenblijvende conifeer bereikt in haar natuurlijke habitat hoogtes tot 30 meter, maar blijft in West-Europese tuinen meestal beperkt tot 15 à 20 meter. De boom groeit in een strakke, piramidale vorm met horizontaal afstaande, licht doorhangende takken. De kaneelbruine tot roodbruine schors bladdert af in langwerpige stroken, waardoor een vezelige binnenbast zichtbaar wordt.
De naalden van Cunninghamia lanceolata zijn volkomen uniek binnen de naaldhoutfamilie: ze zijn stijf, plat, zwaard- tot spiesvormig (3 tot 7 cm lang) en spiraalsgewijs rond de twijgen ingeplant, maar richten zich in twee platte rijen. De naalden zijn scherp toegespitst en vertonen aan de onderzijde twee brede, zilverwitte huidmondjesstrepen (stomatabanden). In de winter krijgt het glanzend diepgroene loof onder invloed van koude temperaturen een karakteristieke bronsachtige tot purperen gloed, die in het voorjaar weer verdwijnt.
Als eenhuizige conifeer vormt Cunninghamia lanceolata mannelijke en vrouwelijke bloeiwijzen aan dezelfde boom. Mannelijke kegels staan in compacte trossen aan de takuiteinden, terwijl de vrouwelijke kegels eivormig tot kogelrond zijn (3 tot 4 cm lang). De kegelschubben zijn eveneens scherp toegespitst en gaafrandig, wat de rijpende bruine kegels een stekelig, dennenappelachtig uiterlijk geeft. De kegels blijven vaak meerdere jaren aan de takken hangen nadat de kleine gevleugelde zaden zijn uitgewaaierd.
Cunninghamia lanceolata is matig tot goed winterhard tot -15°C à -18°C (USDA zone 7a/7b). Voor een optimale ontwikkeling verlangt de boom een luwe, windbeschutte standplaats in de volle zon tot lichte halfschaduw, beschermd tegen gure oostenwind die de naaldtoppen kan doen verdrogen. Zij heeft een sterke voorkeur voor humeuze, voedselrijke en lichtzure tot neutrale bodems die constant licht vochtig blijven. Kalkrijke of zware kleibodems worden slecht verdragen en leiden tot chlorose.
Deze andere producten kunnen je interesseren