Botanische auteur: (Aiton) O.Kuntze (1891) | Basioniem: Polypodium aemulum Aiton (1789) | Familie: Dryopteridaceae | Herkomst: Atlantisch West-Europa, Macaronesië en de Kaukasus
Dryopteris aemula werd in 1789 oorspronkelijk beschreven door de Schotse botanicus William Aiton onder de naam Polypodium aemulum, waarna Otto Kuntze de soort in 1891 overbracht naar het geslacht Dryopteris. De soort staat in het Engels bekend als de 'Hay-scented Buckler Fern' en in het Nederlands als de Hooigeurvaren. Deze naamgeving verwijst direct naar de unieke etherische oliën (met name coumarine) die uit het bladweefsel vrijkomen bij wrijving of tijdens het drogen van de frondes, hetgeen een zoete, pas gemaaide hooigeur verspreidt. Botanisch vormt D. aemula een karakteristiek element van de Atlantische oerbossen en vochtige ravijnen langs de West-Europese kuststrook van Ierland en Groot-Brittannië tot Bretagne, Madeira en de Azoren.
Dryopteris aemula is een bijzonder elegante, bosvaren die een compacte, dicht opgaande pol vormt met een hoogte van 35 tot 60 cm. De bladeren zijn drie- tot viermaal geveerd (tripinnate tot quadripinnate) en vertonen een opvallende, helder lichtgroene tot geelgroene kleur met een licht glanzende textuur. Een doorslaggevend determinatiekenmerk is de holle, concaaf gewelfde vorm van de individuele pinnulae (deelblaadjes), waardoor de bovenzijde van het blad een fijn gekrespt of gecrosteerd kusseneffect vertoont. De stelen (stipes) zijn over hun gehele lengte bezet met smalle, roestbruine tot donkerpaarse schubben, wat een prachtig kleurcontrast oplevert met de frisse bladschijf.
Dryopteris aemula wordt gekenmerkt door de vorming van kleine, ronde sori die in twee evenwijdige rijen langs de middennerven van de ultieme bladsegmenten liggen. De sori worden afgedekt door niervormige indusia die marginaal bezet zijn met minuscule, zittende klierharen; deze klieren zijn verantwoordelijk voor de afscheiding van de aromatische vluchtige stoffen. Bij rijpheid krullen de indusia terug, waarna de sporenhuisjes (sporangia) hun bruine sporen via de wind verspreiden. De sporen kiemen op vochtige, kalkarme bodems en vormen prothallia die een hoge vochtigheidsgraad vereisen.
Dryopteris aemula is een schaduwplant voor de liefhebber van textuur- en geurtuinen. De plant vraagt een beschutte, luwe standplaats in de halfschaduw tot dichte schaduw en gedijt het beste op een humusrijke, permanent vochthoudende maar goed ontwaterde, lichtzure bosgrond. De soort is goed winterhard tot -15°C à -18°C (USDA zone 7a/7b), maar verdraagt geen droge, hete zomerwinden of kalkrijke klei. In combinatie met andere Atlantische schaduwplanten zoals Hymenophyllum, Blechnum spicant en zachte geofyten vormt zij een betoverend botanisch accent.
Deze andere producten kunnen je interesseren