Caesalpinia gilliesii (tegenwoordig vaak geclassificeerd als Erythrostemon gilliesii, in de volksmond bekend als de paradijsvogelstruik of Yellow Bird-of-Paradise), is een adembenemende, exotische en bladverliezende tot semi-groenblijvende heester die oorspronkelijk afkomstig is uit de subtropische, droge gebieden van Argentinië en Uruguay, maar inmiddels wegens zijn ongeëvenaarde schoonheid wereldwijd in warme gematigde en tropische zones wordt gecultiveerd. De struik groeit opgaand, ietwat onregelmatig en open van structuur, en bereikt in ons klimaat veelal een volwassen hoogte van 1,5 tot 3,0 meter en een gelijke breedte. Een van de belangrijkste onderscheidende kenmerken ten opzichte van andere Caesalpinia's is dat de stengels en twijgen volkomen glad en vrij van dorens of stekels zijn, wat de verzorging en aanplanting aanzienlijk vergemakkelijkt. De bladeren zijn uiterst fijn, delicaat en vederlicht dubbelgeveerd, met talloze microscopisch kleine, olijfgroene deelblaadjes die de heester een verfijnde, bijna varenachtige of acacia-achtige textuur geven. Van juni tot september verschijnen aan de stengeltoppen spectaculaire, kaarsrechte, onvertakte bloemaren tot 30 centimeter lang. De individuele bloemen zijn bleekgeel tot heldergeel met vijf brede kroonbladeren, waaruit een bundel van tien vlammend felrode, ragfijne en zijdeachtige meeldraden van wel 7 tot 8 centimeter lang tevoorschijn komt. Deze meeldraden hangen als elegante, scharlakenrode draden ver buiten de bloemkronen uit, wat doet denken aan de ver verheven staartveren van een paradijsvogel. Na de bloei ontwikkelen zich platte, leerachtige, behaarde lichtbruine peulvruchten die bij volledige afrijping in de herfst met een hoorbaar droog schot explosief openspringen om de afgeplatte zaden ver te wegslingeren. Let op: alle delen van de plant, en met name de zaden en peulen, zijn bij inname uiterst giftig. Caesalpinia gilliesii bezit een verrassend goede winterhardheid tot zones 8a-8b (-10°C tot -12°C). In zeer strenge winters kan de struik tot aan de grond invriezen, maar na het wegsnoeien van het dode hout loopt de plant in het voorjaar vanaf de wortel weer weelderig uit, waarbij hij in dezelfde zomer alweer op het nieuwe hout kan bloeien. De struik eist een standplaats in de absolute volle zon — bij voorkeur op de heetste, meest beschutte plek tegen een zuid- of westmuur — en gedijt optimaal in een arme, zandige of kalkrijke bodem die een onberispelijke drainage bezit, daar winterse nattigheid absoluut fataal is.
Deze andere producten kunnen je interesseren