Adiantum davidii is een zeldzame, hoogalpiene varensoort die in 1883 werd beschreven door de Franse botanicus Adrien René Franchet op basis van plantencollecties van de beroemde ontdekkingsreiziger Père Armand David. De soort is inheems in de kalkrijke bergkloven en schaduwrijke rotswanden van Zuidwest-China en Tibet. Door haar geografische herkomst uit hoge gebergtezones bezit deze soort een verrassend hoge vorstresistentie, wat haar uitermate waardevol maakt voor rots- en alpinentuinspecialisten.
Het loof van Adiantum davidii vertoont een uitzonderlijk verfijnde, bijna etherische textuur. De frondes bereiken een hoogte van 15 tot 30 centimeter en zijn smal drievoudig geveerd. De stengels zijn uiterst dun, draadachtig en glanzend kastanjebruin tot ebonietzwart. De miniatuur pinnulae zijn driehoekig tot ruitvormig, slechts 3 tot 6 millimeter groot, en hebben een subtiele, blauwgroene tot berijpte glans. In het voorjaar ontluikt het jonge schot met een elegante brons- tot koperkleurige tint.
De sporenvorming vindt plaats in de hoogzomer (juli tot september). De sori zijn klein, discreet en halfrond gevormd, ingebed in de ingesneden inkepingen van de bovenste bladrand. De sporenproductie is overvloedig, maar de kieming vereist een constant vochtig, gesteriliseerd substraat. In de tuin breidt de plant zich langzaam uit via een fijn vertakt, draderig wortelstelsel.
In cultuur vraagt Adiantum davidii een uiterst beschutte, koele en schaduwrijke standplaats in de tuin. Een humusrijke, uitstekend gedraineerde rotsgrond bestaande uit bladaarde, fijn split en geraspte turf is ideaal. Stilstaand vocht rond de kroon veroorzaakt onherroepelijk wortelrot. De plant is uitstekend winterhard tot -15°C à -18°C (USDA zone 7a) en verdraagt langdurige vorstperiodes mits de bodem goed ontwaterd blijft.
Deze andere producten kunnen je interesseren