Euonymus cornutus, in 1893 voor het eerst geldig gepubliceerd door de Britse botanicus William Botting Hemsley in het Bulletin of Miscellaneous Information Kew, is een opgaande, bladverliezende struik uit de kardinaalsmutsfamilie (Celastraceae). Deze botanische soort is endemisch in het gematigde bioom van Centraal-China, waar de plant voornamelijk groeit in bergbossen, struikgewas en langs bosranden. De struik bereikt een volwassen hoogte en breedte van circa twee tot drie meter en ontwikkelt slanke, sierlijk overhangende twijgen. De bladeren staan tegenovergesteld langs de stengels, zijn smal-lancetvormig tot bijna lijnvormig van vorm en hebben een fijn getande tot gezaagde bladrand. Het loof heeft een frisse, middengroene kleur die in de herfst transformeert naar subtiele tinten van lichtgeel tot purperrood voordat het blad valt.
In het late voorjaar (mei tot juni) bloeit de plant met onopvallende, kleine bloempjes die aan slanke, draadvormige stelen in de bladoksels hangen. Deze individuele bloemen zijn doorgaans viertallig en vallen botanisch op door hun diep paarsbruine tot bijna zwartachtige bloemblaadjes. Hét absolute sleutelkenmerk waaraan de soort haar naam ontleent (cornutus betekent 'gehoornd'), is de unieke vorm van de spectaculaire vlezige vrucht. De rijpe, dieproze tot karmozijnrode doosvrucht ontwikkelt vier tot vijf opvallende, lange en puntige hoorns die als armen naar buiten steken. Bij volledige rijpheid in de vroege herfst springen deze gehoornde capsules open, waarbij de glanzend zwarte zaden tevoorschijn komen die elk omhuld zijn door een feloranje, vlezige zaadmantel (arillus).
Deze andere producten kunnen je interesseren