Arisaema amurense, in 1859 voor het eerst geldig gepubliceerd door de Russisch-Duitse botanicus Carl Maximowicz, is een winterharde, overblijvende vaste plant uit de aronskelkfamilie (Araceae). Als tubereuze geofyt is deze soort inheems in het gematigde bioom van het verre oosten van Rusland tot aan het Koreaanse schiereiland, waar hij groeit in vochtige, humusrijke loofbossen en bergvalleien. Vanuit een ondergrondse, licht afgeplatte bolronde knol ontwikkelt de plant doorgaans één tot twee stevige, opgaande bladstelen die een hoogte van dertig tot zestig centimeter bereiken. Het blad is kenmerkend handvormig samengesteld en bestaat uit vijf, maar soms tot zeven, grote en glanzend diepgroene deelblaadjes. Deze individuele deelblaadjes zijn eivormig tot langwerpig met een scherp toegespitste top, en ze vertonen vaak een grof getande of gezaagde bladrand die stevig aanvoelt.
In de late lente, van mei tot juni, verschijnt er een solitaire, architectonische bloeiwijze op een bloemstengel die meestal net onder of op gelijke hoogte met de bladeren staat. De bloeiwijze wordt omsloten door een opvallend kokervormig schutblad (spatha) dat aan de basis trechtervormig is en aan de top als een elegant afdakje naar voren buigt. Dit schutblad is heldergroen tot diepgroen van kleur en is verfraaid met contrasterende, verticale witte of bleekgroene lengtestrepen die over de gehele lengte lopen. Binnenin bevindt zich de centrale bloeikolf (spadix), waarvan het onvruchtbare bovenste gedeelte (de appendix) dik, cilindrisch tot knotsvormig is en onopvallend groenachtig wit kleurt. Na de bestuiving door insecten verdwijnt het schutblad en transformeert de bloeikolf in de nazomer tot een dichte, compacte aar van glanzende, felrode bessen die elk de zaden bevatten.
Deze andere producten kunnen je interesseren