Botanische auteur: (Christ) Christ | Basioniem: Polystichum lonchitoides Christ (1902) | Familie: Dryopteridaceae | Herkomst: Berggebieden van China (Gansu, Guizhou, Sichuan, Yunnan, Xizang)
Cyrtomium lonchitoides werd in 1902 formeel beschreven door de Zwitserse pteridoloog Hermann Christ onder de naam Polystichum lonchitoides, waarna hij het taxon in 1906 overbracht naar het geslacht Cyrtomium. De soortnaam 'lonchitoides' is afgeleid van het Griekse woord 'lonchitis' (speer) en het achtervoegsel '-oides' (gelijkend op), wat verwijst naar de smalle, speervormige omtrek van de deelblaadjes. De plant heeft een uitgestrekt natuurlijks verspreidingsgebied in de montane bossen van West- en Zuidwest-China, waar ze op hoogtes tussen 1200 en 2600 meter voornamelijk als lithofyt op steile, vochtige kalkrotsen groeit.
Cyrtomium lonchitoides is een zeer karakteristieke, slanke en strak gelijnde varen. De plant vormt een compacte, opgaande roset met een hoogte van 25 tot 40 centimeter. Uit een korte, verhoute wortelstok ontspruiten slanke, strogele stelen die overvloedig bezet zijn met dunne, roestbruine lijn- tot lancetvormige schubben. De bladeren zijn smal-geveerd met talrijke (10 tot 20 paren) dicht op elkaar staande, smalle deelblaadjes. Elk pinetje is smal speervormig tot driehoekig-lancetvormig met een scherp getande rand en een opvallend toegespitste apex, wat de varen een fijne, bijna agressief-grafische textuur verleent.
Cyrtomium lonchitoides vertoont kenmerken die de evolutionaire overgang tussen Polystichum en Cyrtomium illustreren. Aan de onderzijde van de smalle pinnen bevinden zich kleine, ronde sori die in twee keurige, evenwijdige rijen dicht langs de hoofdnerf gerangschikt liggen. De indusia zijn membraanachtig, cirkelvormig met een licht ingesneden rand en vallen bij rijpheid snel af, waarna de donkerbruine sporangiënmassa bloot komt te liggen. De sporenrijping vindt plaats vanaf de midzomer.
Cyrtomium lonchitoides is een zeldzame juweel voor de verzamelaar van alpine- en rotsvarens. Ze is uitstekend winterhard tot -15°C à -20°C (USDA zone 6b) en behoudt haar gestroomlijnde loof gedurende de gehele winter. Vanwege haar lithofytische natuur verdraagt de plant absoluut geen stilstaand water bij de wortels; een steenrijke, kalkhoudende en gruizige bodem met een snelle afwatering is essentieel. Ze gedijt het beste op een koele, halfschaduwrijke plek op een helling, in een stapelmuur of in een rotstuin, waar haar speervormige frondes prachtig tot hun recht komen.
Deze andere producten kunnen je interesseren