Adiantum venustum, de Himalaya-venushaar, werd in 1825 formeel beschreven door de Schotse botanicus David Don in zijn 'Prodr. Fl. Nepalensis'. Het Latijnse woord 'venustum' betekent 'lieflijk', 'bekoorlijk' of 'sierlijk', een naam die deze plant eer aandoet. Vanwege haar alpine herkomst uit het Himalaya-gebergte is dit zonder twijfel een van de meest winterharde, robuuste en waardevolle bodembedekkende venushaarvarens voor het West-Europese klimaat.
Adiantum venustum vormt een dicht, eivormig-uitgewaaierd matje van 20 tot 35 centimeter hoog dat zich langzaam uitbreidt tot grote kolonies. De frondes zijn breed driehoekig, drievoudig geveerd en rusten op gitzwarte, glanzende, draadachtige stelen. De pinnulae zijn omgekeerd-driehoekig tot teerlingvormig met fijn gezaagde bovenranden en hebben een unieke blauwgroene tot berijpte onderzijde. In het voorjaar ontluikt het loof met een fabelachtige zalmroze tot koperoranje kleur.
De sori liggen diep ingebed in de inkepingen van de pinnula-randen onder stevige, niervormige pseudo-indusia. Sporen rijpen in de hoogzomer. De belangrijkste vorm van uitbreiding is echter vegetatief: de plant vormt een dicht netwerk van verhoutende, kruipende wortelstokken vlak onder het bodemoppervlak.
Adiantum venustum is bekroond met de prestigieuze RHS Award of Garden Merit (AGM) en geldt als een van de allerbeste schaduwbodembedekkers. Ze blijft in zachte winters volledig wintergroen; bij strenge vorst kleurt het blad bronsbruin en beschermt zo de wortelkroon. Ze is extreem winterhard tot -20°C à -25°C (USDA zone 5b) en gedijt op vrijwel elke vochtige, humusrijke schaduwgrond.
Deze andere producten kunnen je interesseren