Botanische auteur: (Zenker) Fraser-Jenk. | Basioniem: Aspidium anomophyllum Zenker (1835) | Synoniem: Cyrtomium caryotideum var. anomophyllum | Familie: Dryopteridaceae | Herkomst: Himalaya (India, Nepal, Bhutan), W-China, Taiwan & Japan
Cyrtomium anomophyllum werd oorspronkelijk in 1835 beschreven door de Duitse botanicus Jonathan Carl Zenker als Aspidium anomophyllum op basis van materiaal uit de Nilgiri-bergen in Zuid-India. De taxonomische geschiedenis van deze soort was lang onderhevig aan debat, waarbij het door diverse auteurs werd beschouwd als een variëteit van Cyrtomium caryotideum. In de herziening van Christopher Roy Fraser-Jenkins werd het taxon formeel erkend als een zelfstandige apomictische triploïde soort binnen de Niervarenfamilie (Dryopteridaceae). In haar natuurlijke verspreidingsgebied groeit de plant op vochtige, met mos begroeide rotswanden en in schaduwrijke bergbossen op hoogtes tussen 1700 en 2800 meter.
Cyrtomium anomophyllum vormt een gedrongen, opgaande pol met een hoogte van 35 tot 65 centimeter. Uit de rechtopstaande, dicht met bruine eivormige tot lancetvormige schubben bezette wortelstok ontspruiten stevige, strogele bladstelen (14–55 cm) die aan de basis eveneens dicht geschubd zijn. De bladeren zijn enkel geveerd (1-imparipinnat) met 3 tot 6 paren zijstandige deelblaadjes (pinnae). De pinnae zijn eivormig tot breed lancetvormig (7–15 cm lang en 2,5–4,5 cm breed) met een opvallend asymmetrische basis die aan de bovenzijde is voorzien van een halfcirkelvormig oortje (aurikel). Het bladweefsel voelt stevig papierachtig tot mat-lederachtig aan en vertoont een rijke netnervatuur (anastomerende aderen).
Cyrtomium anomophyllum wordt gekenmerkt door een triploïstische apomixie, wat betekent dat de sporen zich ontwikkelen zonder bevruchting en exact genetisch identieke nakomelingen opleveren. Aan de onderzijde van de mature pinnae bevinden zich talrijke ronde sporenhoopjes (sori) die gelijkmatig over het gehele bladoppervlak verdeeld liggen. Een uniek diagnostisch kenmerk van deze soort is het indusium (dekplekje): dit is schijfvormig, deels membraanachtig en voorzien van een opvallend donker, bijna zwart centrum met een fijn getande of gegolfde rand. De sporen rijpingsperiode valt in de late zomer tot het vroege najaar.
In de tuin is Cyrtomium anomophyllum een uitzonderlijk waardevolle en robuuste structuurplant voor de schaduwtuin. De plant is uitstekend winterhard tot temperaturen van -15°C tot -20°C (USDA zone 6b) en behoudt haar loof in milde tot normale winters volkomen groen. Ze verlangt een beschutte standplaats in de halfschaduw tot dichte schaduw en een humusrijk, goed ontwaterende maar permanent licht vochtige bodem. Door haar natuurlijke lithofytische herkomst is ze tevens zeer geschikt voor aanplant in schaduwrijke rotstuinen, stapelmuurtjes of verdiepte bosborders in combinatie met Epimedium, Pulmonaria en Asplenium.
Deze andere producten kunnen je interesseren