Botanische auteur: L. 'Albolineata' (synoniemen: Pteris cretica var. albolineata Hook., Pteris nipponica Hort.) | Familie: Pteridaceae | Subfamilie: Pteridoideae | Herkomst: Oorspronkelijk afkomstig uit tropische en subtropische zones van Zuid-Europa, Afrika en Zuid-Azië. De witbontbladerige cultivar 'Albolineata' werd in de 19e eeuw geselecteerd en wordt wereldwijd gewaardeerd. Genotypisch is Pteris cretica fylogenetisch bekend om haar gevarieerde ploidie-niveaus (waaronder diploïde en triploïde stammen) en haar obligaat apomictische voortplantingssysteem.
Pteris cretica 'Albolineata' vormt een compacte, opgaande rozet met een hoogte van 30 tot 50 cm en een breedte van circa 40 cm vanuit een kort kruipend, met bruine schubben bedekt rhizoom. De frondes zijn enkel geveerd (pinnatasecht) met 3 tot 7 paar lancetvormige, overhellende pinnen. De bladvlakte vertoont een opvallende bladdimorfie: steriele pinnen zijn aanzienlijk breder (1,5–2,5 cm) met een fijn gecartileerde, getande bladrand, terwijl fertiele pinnen langer, smaller (0,5–1 cm) en strikt gaafrandig zijn. De belangrijkste sierkwaliteit is de heldere variegatie: over het centrum van elke pin loopt een brede, cireuze wit-zilveren tot crème-witte baan die fel afsteekt tegen de diepgroene bladranden. Nieuwe frondes ontluiken lichtgroen met zilveraccenten en rijpen af tot een stevig, glad-lederachtig bladweefsel.
De voortplantingsorganen liggen geordend in dichte, continue marginale coenosori langs de zijranden van de fertiele pinnen. De sporangia worden effectief afgedekt door een smal, vliezig en membraanachtig pseudo-indusium (valse indusium) dat gevormd wordt door de gespecialiseerde, naar binnen omgebogen bladschijfrand. Fysiologisch plant Pteris cretica zich in cultuur vrijwel uitsluitend voort via apomixie (apogamie): de sporen kiemen op tot prothallia die zonder mannelijke bevruchting direct sporofyten-embryo's vormen, waardoor de unieke witbontheid en morfologie genetisch zuiver behouden blijven.
In de tuin is 'Albolineata' matig winterhard (-6°C tot -10°C, USDA zone 8b/9a). In mildere kustzones kan de plant op een beschutte, luwe schaduwplek buiten overwinteren; in koudere regio's wordt ze gehouden als kuipplant, terrariumplant of kamerplant. De varen vraagt een lichte standplaats met gefilterd zonlicht (felle middagzon moet vermeden worden om verbranding van het witte bladweefsel te voorkomen) en een permanent licht vochtige, goed ontwaterde, humusrijke bodem. Ze is uitstekend bestand tegen een hogere luchtvochtigheid.
Deze andere producten kunnen je interesseren